Oologsbeelden........1940 - 45

Hoe ziet een kind de bezetting?

Piet Varkevisser vertelt

In zekere zin bleef de oorlog voor ons lange tijd op afstand. Aan ons kinderen werd niet zoveel verteld, hoewel we natuurlijk allerlei veranderingen wel opmerkten. We konden de omvang van alle maatregelen en voorschriften niet echt beseffen. Het was eigenlijk wel een beetje griezelig spannend........

     

Eten

Al vrij snel werd distributie ingevoerd. Je kon levensmiddelen niet meer vrij kopen, maar kreeg per persoon bonnen, die recht gaven op een bepaalde hoeveelheid. Naarmate de oorlog duurde, werden steeds meer goederen onder het bonsysteem gebracht. Tegelijkertijd namen de hoeveelheden af.

Voor ons kinderen in de groei werden extra bonnen beschikbaar gesteld, zowel voor voedsel als voor textiel en schoenen. Toch hadden we allemaal schoenen, waarvan de tenen opengeknipt waren, omdat ze anders niet meer pasten. Vaak liepen we op klompen, die (nog) wel te krijgen waren. Als de kap brak, werd die zorgvuldig gerepareerd: het losse stuk werd met kleine spijkertjes op de onderkant vast getimmerd en over de wreef werd een strookje blik gezet. Het mooie klapperende geluid was bij die klomp dan wel verdwenen.

In het begin van de oorlog hebben we er een tweede melkboer bijgekregen. Een klein stukje van ons vandaan in de straat woonde de familie Leentvaar. Vader Leentvaar was zelfstandig melkboer. Mijn Vader rookte niet en de tabaksbonnen die hij kreeg, daar had Leentvaar wel belangstelling voor. Dus werden die geruild voor melk.

Tabak was op de bon ....

Al spoedig werd de aanvoer van goederen naar de winkels zo slecht, dat er voor de winkels rijen ontstonden. De artikelen die op de bon waren, die kwamen meestal wel, maar andere produkten, niet op de bon, zoals groente en fruit, daar moest je snel bij zijn als je wat wilde bemachtigen. Als je al in de rij stond, maakte je een kans. Kwam je te laat, had je niks. Op, mevrouw! Er was een groenteman bij ons, Van Ek, die kwam voor de oorlog met een grote platte handkar langs de deur. In de oorlog was dat niet meer nodig, toen kwamen de mensen bij hem voor de kar in de rij staan. Hij zette zijn kar vlak bij huis op een breed stuk achterpad tussen de Meiendaal en de Olmendaal, vlak bij de Korte Welle. Wij hadden een gelukje. Vader kende Van Ek, ik geloof dat hij een oud-leerling van Vader was, en daarom hoefde Vader nooit in de rij te staan. We konden altijd doorlopen naar de achterkant van de kar en als Van Ek klaar was met de klant die hij aan het helpen was, zei hij: "Wat zal het zijn meester?" We kregen dan waar we om vroegen. De andere wachtenden heb ik daar nooit over horen klagen, voor meester kon dat kennelijk.

Op je klompjes in de rij en eindeloos wachten ....

Om de vleesvoorziening te verruimen, had Vader naast het kolenhok een paar konijnenhokken getimmerd, twee boven elkaar. In 't ene hok een paar grote konijnen, in 't andere meestal een nest jonge konijntjes. Regelmatig slachtte Vader een konijn. Als het dier dood was en aan een achterpoot hing, dan stroopte hij met een klein mesje voorzichtig het vel van het dier. Hij begon bij de achterpoten en trok het vel over de kop. Als het hele vel los was, werd het zo binnenstebuiten op een stok te drogen gehangen. De vellen werden gekocht door een man, die van tijd tot tijd door het achterpad kwam, met een zak op zijn rug. Je hoorde hem al van ver roepen met z'n schorre stem: "Velluh, konijnevelluh!"

Het zal december 1944 zijn geweest, dat op een kwade morgen de hokken niet meer op hun plaats stonden. Ze lagen opengebroken op het achterpad en zo was onze Kerstbout verdwenen. Wat was vader kwaad. Maar toch hadden we met Kerst konijn op tafel, tenminste .... Als we konijn aten, had vader de kop op zijn bord, die hij helemaal leeg peuterde, tot alleen maar de kale schedel over was. Maar die keer had hij geen kop op zijn bord. Toen ik er naar vroeg, antwoorde hij: "Nee, die bewaar ik voor morgen." Nu kenden we allemaal wel verhalen over katten die opgegeten werden - en die leken ons opeens werkelijkheid. Of hij mijn twijfel voelde, zei Vader: "Nee, het is echt geen kat, ga maar in de pan kijken." Ik mocht een kaars meenemen naar de keuken (er was geen electriciteit meer, in de winter van '44). Ik til het deksel op en zie bij enkele andere stukken vlees ook een kop liggen. Is het nou een konijnekop of niet? Ik weet me geen raad, ik klap het deksel op de pan en ren de kamer weer in, de deur achter me dichtgooiend. "Het is een kat," roep ik, "eet die zelf maar op." Moeder wilde nog een keer samen met me gaan kijken, maar ik wilde niet en ik heb die keer niet van het konijnevlees gegeten.

      

M'n fiets

Hoewel alles in die tijd steeds schaarser begon te worden, heb ik toen toch mijn eerste fiets gekregen. Je kon niet naar de winkel om even een nieuwe te kopen, dus scharrelden we vaak rond op de markt aan de Maashaven. Daar vond je ook toen nog de gekste dingen. De ene keer deden we een stuur op, een andere keer zowaar een frame met de trappers er nog aan. Vader ging ook alleen op stap en ik zie hem nog thuis komen, een keer, met twee hele wielen. Wat was ik blij. Nu was m'n fiets al haast klaar! Nou ja, dat duurde toch nog wel even. Geleidelijk is die fiets bij elkaar gekomen. Nadat we op het distributiekantoor ook nog bonnen voor banden hadden kunnen bemachtigen, kon ik eindelijk op mijn fiets.

Die zomer heb ik met vader veel fietstochten gemaakt. Dat waren zogenaamde stempeltochten. Wie die tochten organiseerde, weet ik niet, maar tijdens het rijden moesten er op een kaart stempels gezet worden. Dat gebeurde op het gemeentehuis van de plaats waar de tocht door ging. Na meerdere tochten, als de kaart vol was, kon je hem inleveren en dan kreeg je een insigne. Wij hebben onze kaart nooit ingeleverd.

Toch heb ik die zomer heel wat van de omgeving van Rotterdam gezien. Door de stad, tot ver voorbij Diergaarde Blijdorp, helemaal naar Overschie en Kethel. En dan door het Westland, met al die kassen. Mijn Vader noemde dat de Glazen Stad. Terug met het pontje van Katendrecht. Eng hoor, om met mijn fiets aan de hand voor de eerste maal over de loopplank met dwarsribbels te gaan. Nu ik mijn fiets stevig vast moest houden, leek de plank wel veel meer te bewegen dan anders. Bij het varen deinde de pont veel meer dan anders, ik dacht alsmaar dat mijn kostbare fiets, die tegen de railing stond, misschien wel om zou vallen. De fiets had een terugtraprem. Ik mocht alleen maar voorzichtig remmen, als ik te wild en te hard zou remmen, zou de achterband te snel slijten. Vervanging was onwaarschijnlijk.

Steenkool

Bij de school waar Vader gymnastiekles gaf, op het Ericaplein, was voor de grote vakantie de voorraad steenkool gewoon aangevuld. De twee gymzalen stonden wat apart van de andere gebouwen op het plein. De ketel van de centrale verwarming voor alle gebouwen stond in een stookkelder onder het gymgebouw. Mijn vader had altijd al, zolang hij daar werkte, het toezicht gehad op het gebouw en ook de ketel. Dus direct na de zomervakantie kwam hij dagelijks twee keer thuis, met zijn fietstassen vol cokes. Toen de lessen aan het Ericaplein werden stopgezet, ging hij toch iedere dag even kijken of alles in de gebouwen nog in orde was. Dan schepte hij en passant ook zijn fietstassen weer vol. Tot op zekere dag, toen waren ze net bezig de kelder leeg te halen. Onze voorraad thuis leek inmiddels aardig voldoende, maar cokes werd ook als ruilmiddel gebruikt. Dus stookten we in de eerste plaats al het hout dat we maar konden bemachtigen, in ons noodkacheltje.

Hout schooien voor je noodkacheltje ....

Buitenkansjes

In de herfst van 1944 heeft groenteman Herwijnen een paar zakken van onze cokes op zijn paard-en-wagen meegenomen, op een van zijn bevoorradingstochten. Hij kon toen de Barendrechtse brug nog over zonder al te veel controle. Herwijnen ruilde die cokes voor ons bij een boer, voor een zak tarwe. Nu is een mud tarwe heel veel, maar we deelden met onze naaste buren. Om de tarwe te kunnen gebruiken, hebben we onze koffiemolen van een grotere ombouw voorzien, zodat we er meer grip op hadden. Je kon de tarwe er in malen, maar omdat die zo stug is, had je moeite om de molen vast te houden. Zelf zette ik hem klem in de hoek van de pianopoot en de muur en dan drukte ik 'm met mijn knieën stevig vast. Je kon de tarwe niet in een keer malen, je moest eerst grof en daarna fijner malen. Anders kreeg je de zwengel helemaal niet eens rond.

De mud tarwe was niet genoeg om het mee uit te zingen. En cokes hadden we ook niet genoeg. Wel hebben we nog heel lang, wel tot aan het laatste nieuwjaar in de oorlog, wat blikjes in onze voorraad gehad. Hiervan werden er bij bijzondere gebeurtenissen een of twee geopend. Gecondenseerde gesuikerde melk, stroopachtig zoet, dat was een lekkernij. Maar ook de zalm vond ik heerlijk. Die blikjes werden bewaard als van goud. Ze stonden in een theekastje in onze donkere kamer.

Razzia

Oorlog of niet, in september '44 ben ik naar de MULO gegaan, ik kwam bij meester Trommel in de klas. Tussen de herfstvakantie en de kerstvakantie bleven er echter al meer en meer kinderen uit onze klas weg. Ook de gelederen van de meesters waren uitgedund. Dat kwam door de grote razzia die in november 1944 gehouden is.

De razzia van 10 en 11 november 1944....

Op een morgen zagen we massa's Duitse soldaten, zowel op de straat voor als op het achterpad. Overal bellen ze aan en alle mannen tussen de zeventien en vijfenveertig jaar moeten mee. Ze mogen wat kleding en een deken meenemen en zullen in Duitsland te werk gesteld worden. Als er bij Klaassen gebeld wordt, roept mevrouw Klaassen naar boven: "Leo kom je?" Leo die zich natuurlijk verborgen had, ergens boven, kon toen niet anders dan met een kwaaje kop tevoorschijn komen. Bij de familie Kreuze ging het anders. Toen daar aangebeld werd, vroeg mevrouw Kreuze de Duitsers even naar boven te gaan, dan konden ze zien dat haar man ziek was. Hij lag inderdaad in bed en niet alleen met een koortsthermometer in een glas op zijn nachtkastje, maar daarnaast lag een verklaring van zijn huisarts, dat hij aan een zeer ernstige vorm van TBC leed. De angst voor besmetting dreef hen weer snel het huis uit.

Leo Klaassen was na twee dagen alweer terug, maar hij mocht niet weer openlijk thuis komen wonen, dat kon natuurlijk niet, dus hij dook onder. Hoe hij zo snel weer terug was? Toen de trein, waarin hij naar Duitsland werd afgevoerd, onderweg ergens zomaar midden in het land stopte en hij zag dat er WC-papier rondgebracht werd, is hij zo snel mogelijk mee gaan helpen met het uitdelen van die rollen en vergeten weer in te stappen toen de trein vertrok. We vonden hem een held.

Een paar weken later waren de meeste andere buren ook weer thuis. Dat kwam als volgt. Vlak bij ons op de Langegeer woonde een inspecteur van politie, een NSBer uiteraard, die om wat voor reden ook, al zijn buren uit Duitsland terug gehaald heeft. Hij was een echt overtuigde NSBer, zijn zoon Frits zat bij de Nederlandse Hitlerjugend en kwam regelmatig met die club voorbij marcheren. Bij elke gelegenheid hing de zwart-rode vlag, met de gele driehoek waarin de letters N.S.B. uit het bovenraam. Wij kinderen hadden dus de grootste lol als hij 's morgens zich in het zweet stond te trappen om zijn motorfiets aan de praat te krijgen.

Maar waarom nu die plotselinge buurlievendheid? De meesten van ons zagen de oorlog voor Duitsland verkeerd aflopen. Misschien hoopte hij door deze daad op clementie na de bevrijding?

School

Na die kerstvakantie van '44 hoefden we niet meer hele dagen naar school. Het was steenkoud en de centrale verwarming op de MULO brandde ook niet meer. We kwamen alleen nog op school om huiswerk op te halen. We zaten dan met onze jassen aan in de bank en Trommel schreef het werk op het bord waarvan hij verwachtte dat wij het zouden maken. Vaak kon daar niets van terecht komen. Van pennen of potloden die we gebruikten heb ik geen beeld meer, wel zie ik de schriften nog voor me. Een kladblok van tegenwoordig is van extreem glad papier als je het vergelijkt met de schriften van toen. Het leek wel of de splinters hout zo uit het papier staken.

Chaos

Eind januari 1945 was de situatie in de Randstad en ook bij ons, eigenlijk onhoudbaar. We kregen 400 gram brood per persoon - per week. En dat was geen echt brood, maar noodbrood, wat er in zat weet ik niet, maar veel kan 't niet geweest zijn. Andere levensmiddelen waren niet verkrijgbaar, of alleen tegen extreme woekerprijzen op de zwarte markt. Nou, van dat schijntje brood konden we niet leven. Dus werd besloten, te proberen de kinderen naar familie in Zuidlaren te brengen. Een gevaarlijke tocht, die we met mijn Vader gingen maken, wij samen op de tandem en mijn zus Jopie op haar eigen fiets.

    
Rotterdam toen en nu