Verslag van de oorlogservaringen van Dhr. G.G. Mol en zijn broer Dhr. J. Mol
Pagina 1 --------Oorlogsbeelden index-

Van de heer M. Bal ontving ik dit ontroerende oorlogsverhaal

Beste Hennie Schoonewil,

Als bijlage (Microsoft Word dokument) stuur ik hierbij het verslag van de oorlogservaringen van mijn beide zwagers Dhr. G.G. Mol en zijn broer Dhr. J. Mol toe.
Na het overlijden van Dhr. G.G. Mol vonden we dit verhaal opgetekend in een oud kasboek. Ik heb het zo goed mogelijk overgeschreven in redelijk Nederlands en geprobeerd zijn nuchtere stijl te blijven handhaven. (Het verslag berust ook bij het NIOD)
De indeling is waarschijnlijk wat vreemd, want het is in oorsprong in een boekje A5 indeling, wat ik voor deze gelegenheid weer heb trachten om te zetten , geschikt voor verzending per e-mail. Mocht een en ander niet goed overkomen dan hoor ik het wel.
Met vr. gr. M. Bal

Ga er maar op uw gemak voor zitten!
.

In de winter van 1944 heerste er in Rotterdam een ware hongersnood.  Om de lijdende bevolking schijnbaar nog harder te treffen was de winter een van de strengste van de afgelopen jaren. De laatste bomen werden gekapt  en leegstaande huizen gesloopt om aan hout te komen, daar de aanvoer van kolen ook was stopgezet .Met levensgevaar werden op de spoorlijnen naar kolen gezocht die van wagons waren afgevallen die voor aanvoer naar de bezet ter dienden. Massaal werd met fietsen en karretjes naar de boeren getrokken om met allerhande spullen via ruilhandel wat eetbaars te bemachtigen. Vaak werd dit kostbare voedsel vaak geruild voor familiesieraden, linnengoed, of fietsbanden op de terugweg door de Duitsers afgepakt. Voor de mannelijke bevolking van Rotterdam hadden de Duitsers nog meer in petto, namelijk een massale deportatie.
Met geluidswagens werd omgeroepen dat iedere man tussen 16 en 60 jaar zich moest melden. Voor de mannen uit Rotterdam Zuid was  het Feijenoord Stadion aangewezen als meldpunt.
Op 9 januari 1945 vertrokken mijn broer Joop en ik om 12 uur naar het stadion. Toen we daar met onze bagage arriveerden waren daar al enige duizenden slachtoffers aanwezig.
In het stadion werden groepjes gevormd en zo nu en dan afgevoerd om per trein of per boot naar een voor iedereen ongewisse toekomst te vertrekken.
Bij het hek dat door Duitse soldaten bewaakt werd stonden duizenden vrouwen en kinderen om afscheid van hun dierbaren te nemen, de meeste vrouwen huilden. In de bittere kou  en op een laagje sneeuw stonden ze al uren te wachten tot ook hun man of zoon werd weggevoerd.
In het stadion werden we samengedreven tot een groep van ongeveer 500 man en in een ruimte ondergebracht. Onze bagage gooiden we zo goed mogelijk dichtgebonden in een hoek, daar zat een jonge snuiter doods voor zich uit te staren. Ik gaf hem een shagje en vroeg hem goed op onze spullen te willen passen. Dolblij met deze schaarse rookwaar beloofde hij dit te zullen doen. We konden nu een beetje rondlopen zonder de zware plunjezakken mee te moeten sjouwen, toen dan ook enige gamellen met prima pap werden binnengedragen stonden wij als een der eersten vooraan in de rij. Ik zei tegen Joop “snel eten dan gaan we straks nog een keer in te rij staan”. Door onze monden te verbranden lukte het ons inderdaad nog een schaaltje te bemachtigen.
De jongens die een stenen schaaltje hadden kwamen er in het gedrang slechter vanaf want menig stenen schaaltje werd stuk gedrukt.
Nu onze magen door deze warme hap sinds lange tijd weer eens goed gevuld waren en het feit dat ik als fervent roker  goed in mijn shag zat was onze aanvankelijk sombere stemming weer wat opgeklaard. Gelukkig was Joop geen roker zodat ik wat roken betreft de shag niet hoefde te delen. Onze medelotgenoten in de groep waren ook wat brutaler geworden en enige tijd later werden gezamenlijk enige Vaderlandse liedjes ingezet. Het laatste lied was “waar de blanke top der duinen, afgezet met prikkeldraad”, wat kennelijk bij de bezetter niet erg in de smaak viel, zodat ons werd toegesnauwd onze muil te houden. Tussen de bedrijven door hadden ze enige balen stro naar binnen gegooid, zo konden we na enige veldslagen onze ribben op het stro uitstrekken met onze plunjezakken als hoofdkussen.
Wat later werden enige honderden jongens uit Ridderkerk en Bolnes binnengebracht, verkleumd van de kou omdat ze van half een tot vijf uur voor het stadion op het plein in de kou hadden moeten staan. Boven ons was een soort stalen brug als looppad en daar werden deze laatste groep gehuisvest. De mensen onder deze brug boften niet, want telkens liet de een of andere persoon zijn urine lopen boven op de groep beneden. Je kon ze het echter niet kwalijk nemen, ze waren door en door koud en konden zich daar boven nauwelijks verplaatsen.
Intussen was het donker geworden, licht maken mocht niet aangezien er geen verduistering voor de ramen was aangebracht, slapen mocht ook niet want elk moment konden we op transport worden gesteld. Het wachten in de donker duurde tot half twee, toen moesten we ons in groepjes van 6 samenvoegen. Joop en ik zorgden er natuurlijk voor bij elkaar te blijven, op de tast zochten we onze spullen bij elkaar en met nog vier anderen gingen we op zoek naar de uitgang. Daar werd een van ons een gekookte worst van zeker 3 pond en nog 3 broden van 2 kilo elk.
Onze bestemming was het dichtstbijzijnde station van de NS. waar een goederentrein gereedstond. Boven op de trappen zag ik nog een man liggen met zijn gezicht naar de maan gekeerd, maar daar konden we ons niet mee bezig houden, daar we de kerel met de grote worst in de gaten moesten houden die voor ons liep.
Er werden ongeveer 40 man  in een wagon geduwd, de deuren gingen dicht, de sloten erop. Ik had gezien dat onze worstbewaarder ook in onze wagon aanwezig was, we probeerden een hoekplaatsje te bemachtigen , wat mij wonderwel lukte en door Joop te roepen wist deze ook in het hoekje te komen. Door op onze plunjezakken te gaan zitten probeerden we het ons zo comfortabel mogelijk te maken, voor zover je hiervan in een goederenwagen dan kon spreken. De andere 4 jongens zaten vlak in de buurt en er werd onmiddellijk begonnen met het verdelen van de worst en de broden, uiteindelijk gelukte dit in de donker ook nog vrij gemakkelijk daar de worst met Duitse “gründligkeit” al van 5 inkepingen was voorzien en de broden gemakkelijk doormidden konden worden gebroken.
Intussen was het half drie geworden en de trein gaan rijden in de richting “Hofplein” en toen we dit station hadden bereikt was er van ons brood en worst niets meer over dan de herinnering.
Er restte ons niet veel anders dan door de luchtgaten naar buiten te kijken, waar, doordat de lucht was opgeklaard en een heldere maan te voorschijn gekomen, te zien was waar we ongeveer langsreden. Pas om 5 uur bereikten we station “Gouda” doordat we wegens luchtalarm een tijdje gestopt waren. Bij het passeren van dit station was er niet veel anders meer over dan een ruïne, de Engelsen hadden hier flink huisgehouden, maar het spoor was intact zodat onze reis verder ging in de richting Utrecht. Onderweg kregen we nog eenmaal luchtalarm en om ongeveer 8 uur waren we op het station Utrecht, waar onze trein op een zijspoor gereden werd en de locomotief werd afgekoppeld. Degene die gedacht had daarna de stad Utrecht te gaan bekijken kwam bedrogen uit, de wagons waren en bleven op slot en er restte ons niets anders dan met elkaar de polonaise te dansen om de kou trachten te verdrijven, de hele wagon kraakte van het geweld. Ook werd er over en weer gescholden op een wagon met Hagenezen die op een ander spoor naast ons stonden. Door dit lawaai hoorden we zodoende ook niet dat er aanhoudend een geronk van vliegtuigen te horen was, die al geruime tijd aan het overvliegen waren.
Eindelijk mochten we om 15.00 uur uit de wagon en ernaast op het perron aantreden. Bij elke wagon werd door “grüne polizei” wel 5 keer overnieuw het aantal personen nauwkeurig geteld. Gelukkig konden we ook achter enige wagons eindelijk onze behoeften doen, wat na al die uren een hele opluchting was. Onze dorst lesten we met een paar handen sneeuw. Een uur later, even over 16.00 uur leek het wel Sinterklaasavond in vredestijd, er kwam een echte Hollandse kaasbrik met paard en al het station op en hield precies bij onze trein stil en werd er bij iedere wagon een stelletje kazen naar binnen gegooid. Ook een grote wagen met Duitse kuch van ongeveer 2 kilo per stuk hield stil en die gingen dezelfde weg op.  Vergeten was al onze kou en ellende, het werd een gescheld en geraas om wie al dit lekkers moest verdelen. Na een goed half uur werd de juiste man uitgekozen om de zaak eerlijk teverdelen, een mogelijkheid om wat extra's voor zichzelf achterover te drukken was er niet, daar 80 paar ogen constant op zijn handen gericht waren. Toen alles in 40 porties verdeeld was hadden we de man ongeveer 2 kilo brood en 1 kilo prima 40+ kaas en het eerste wat we deden was zoveel mogelijk naar binnen werken. Tijdens dit maal kwam een “grüne” zeggen dat we naar Keulen gingen. Een week geleden hadden we via de Engelse zender over de radio gehoord dat het 9e leger bij Keulen een nieuw offensief had ingezet, gebruik makend van ongeveer 1600 bommenwerpers, doordat de Duitser echter nog vermeldde dat we prima eten zouden krijgen vergaten we haast het woordje “Keulen” in zijn toespraak. De rest van de middag van de 10e januari hebben we over niets anders meer gepraat dan over het vele eten dat we zouden krijgen, zodat we ons rantsoen ook verder maar weer geducht aanspraken.
Om 18.00 uur kwam onze locomotief weer terug, werd voor de wagons gezet en na enig rangeren zette de trein zich in beweging richting Amersfoort. In de tussentijd was het al weer donker geworden, zo nu en dan was de maan door de sneeuwlucht zichtbaar. Een eindje voor Apeldoorn stopte de trein vanwege luchtalarm met hevig geknars van de remmen. Toen hij stilstond konden we het zware gedreun van de vliegtuigen, laag boven de wolken vliegend, duidelijk horen. Na een klein uurtje gingen we langzaam, waarbij af en toe nog even werd gestopt Apeldoorn binnen. Hier lag een dik pak sneeuw en was van een station niets te zien. Door het eten van al die kaas en droge kuch hadden we een geweldige dorst gekregen, toe de trein weer even stopte maakte ik van de gelegenheid gebruik om door het luchtgat te kruipen wat boven in de wagon zat, tot op de grond was dit een grote sprong, maar dit was de enige mogelijkheid om buiten te komen, daar de wagondeuren nog steeds op slot zaten. Zo kwam ik met nog een paar anderen bij een wachtpost waar een 8 tal Duitsers aanwezig waren welke direct op ons begonnen te schelden omdat we uit de wagons waren gesprongen, maar invloed had dit niet, als ze gezegd hadden dat we lieve jongens waren had dit hetzelfde effect gehad. We gaven geen antwoord maar begonnen naar een kraan te zoeken, die we al snel in een achterkamer in de muur zagen zitten. Na onze dorst gelest te hadden hebben we bij deze moffen onze sneeuwklonters van onze schoenen gestampt en gingen weer op weg naar onze trein. Schijnbaar had deze wat minder tijd dan wij, want toen we bij de rails kwamen was hij reeds begonnen te rijden en konden we nog maar net de treeplanken van de laatste wagons te pakken krijgen en moesten we aan de buitenkant meerijden. Gelukkig stopte hij na ongeveer een kilometer om op een ander spoor te komen en kon ik mijn eigen wagon opzoeken, deze kon ik herkennen omdat er in Utrecht “40” met krijt opgeschreven was. Zo kwam ik weer via het luchtgat bij Joop terecht. Joop vroeg nog of ik voor hem ook water had meegebracht, maar daar kon ik geen antwoord op geven, ik was al lang blij dat ik mezelf had teruggebracht.
Met een matig gangetje gingen we op de IJssellinie aan en passeerden de brug over de IJssel bij Deventer. Alles stond hier vol met kazematten en prikkeldraadversperringen, terwijl ook in Deventer een drukke militaire bedrijvigheid heerste. De route ging verder over Almelo naar Hengelo, van beide steden waren de stations aan puin gebombardeerd. Hoe verder we kwamen des te meer sneeuw lag er en doordat de maan het liet afweten door het dichte wolkendek konden we nergens een plaatsnaam van een station lezen, zodat we dachten al in Duitsland te zijn.
Toen de trein weer eens stopte vroeg een van ons in het Duits aan een meisje van ongeveer 11 jaar die daar met een Duitse beambte bij een blokpost stond naar de naam van het station wat we gepasseerd waren, waarop het meisje in nuchter Hollands zei “jullie zijn hier in Hengelo jongens”. Wat dat kind om elf uur in de donkere nacht op zo'n verlaten plaats in de sneeuw moest doen weet ik ook niet, we wisten echter waar we waren en daar ging het om. We passeerden het gebombardeerde station Oldenzaal en gingen om ongeveer 24.00 uur over de Duitse grens.
Het eerste plaatsje wat we in Duitsland aandeden was Koolveld en was vanuit onze wagon bekeken al zwaar door bombardementen getroffen. Een half uur later bereikten we het half platgegooide goederenstation Bentheim. Tot mijn verwondering zag ik daar ook een paar tramwagens van de R.E.T. op een aantal goederenwagens staan (de R.E.T. was tot nu toe mijn werkgever geweest, de letters R.E.T. staan voor Rotterdamse Electrische Tramwegmaatschappij), de moffen konden kennelijk alles gebruiken bij de leegroof van Nederland.  Op het station Bentheim werden we weer op een zijspoor gerangeerd en ging de locomotief er vandoor. We hoopten op een paar uurtjes rust en half zittend te kunnen slapen, maar een half uur later kregen we zo'n optater, dat de meesten van ons over de vloer lagen. Vermoedelijk hadden ze de locomotief bijgetankt met water en kolen en hem er toen weer onzacht voorgezet, zo ging de reis verder en kwam er ook deze nacht weer niets van slapen. Buiten lag de sneeuw wel 60 cm. hoog en het was zo snerpend koud dat onze wagon aan de binnenkant vol rijp kwam te zitten, we leden allen onder deze kou , onze voeten en benen waren tot bovenaan gevoelloos van de kou. Verder ging de trein langs Rheine, diverse andere kleine plaatsen, waarbij we om ongeveer 5 uur Münster en Dulmen achter ons lieten. Doordat de maan weer achter de wolken was verdwenen kon ik weinig waarnemen van schade of iets dergelijks. In het duister om ongeveer 7.00 uur waren we voorbij Dulmen en door naar Haltern, waar we weer op een rangeerterrein stopten en hoopten te blijven staan daar overdag reizen met het oog op de te verwachten vliegtuigen te gevaarlijk was, maar niets van dat alles want een half uur later kregen we weer een opdoffer en zette de trein zich in beweging. Doordat de sneeuw op de rails was opgewaaid  kreeg re trein steeds meer problemen om verder te rijden, om de paar kilometer stopte de trein, ging enige tientallen meters achteruit en ramde dan met een vaartje door de sneeuwdam heen, dit ging met enorme rukken en stoten gepaard, we konden hierbij onmogelijk op de been blijven en werden als sardines in een blikje steeds op elkaar geperst. Het plaatsje Dorsten zag er voor zover wij het bekijken konden nog vrij gaaf uit, de meeste huizen stonden nog overeind. Bij dit station kregen we de Duitsers zover dat ze met het oog op luchtalarm onze wagondeuren openlieten, ze waren ook van mening dat op deze plaats met de trein duidelijk afstekend tegen de sneeuw dit geen overbodige luxe was. Ook werd per wagon een kaas en 6 broden uitgereikt, zodat we ieder 4 sneetjes brood en een paar ons kaas te eten hadden. De trein sukkelde verder langs    Gladbach, in puin, naar Bottrop, Oberhausen,en Duisburg.
Af en toe als er vliegtuigen hoorbaar vlak boven de trein waren werd er niet veel gesproken, alleen maar in spanning geluisterd of ze ook door het wolkendek heen zouden duiken, maar dan werd het motorgeronk weer minder en kregen we onze moed weer terug. Zo naderden we tegen de avond, na tientallen dopen te hebben gepasseerd de plat gebombardeerde stad Düsseldorf zo ver ons zicht reikte zagen we ingestorte en uitgebrande huizen waarvan alleen de zwartgeblakerde muren nog overeind stonden. Toch zagen we hier veel meer mensen dan in andere plaatsen, tientallen waren er zelfs bezig de straten sneeuwvrij te maken, wat eigenlijk tussen deze huizen onwezenlijk aandeed. Het Hauptbahnhoff wat we op een afstand van ongeveer 100 meter passeerden was door een of meerdere voltreffers geraakt, de hele kap was naar beneden gestort en de rest was uitgebrand. Ergens hadden we nog enige hoop onze broer Herman te zien, die daar bij de Post werkte, maar al zagen we er wel een paar met postuniformen lopen, Herman was er niet bij en de trein stopte niet zodat we ietwat moedeloos  voor ons uitkeken en spoorden we een half uur door de puinhopen wat een Düsseldorf was geweest. In de tussentijd begon het alweer schemer te worden. Op een klok bij een geïmproviseerd noodstationnetje zagen we dat het kwart over vijf was en duikelden we weer een verlaten vlakte in met wat lichtschijnsel op de sneeuw van de opkomende maan. Naast de kou begon ook, door de zoute kaas die we naar binnen gewerkt hadden, de dorst ons danig te kwellen.
We konden gelukkig staande op de treeplank wat sneeuw opscheppen en daar de ergste dorst mee lessen maar op den duur gaf dit toch niet het dorstlessend effect van water.
Toen de trein weer eens stopte voor een sneeuwhoop op de rails, hadden we het geluk voor ons een andere trein te zien staan waar de machinist bezig was water in te nemen. Ik greep direct mijn schaaltje en sprong uit de trein, waarbij ik gelijk tot mijn middel in de sneeuw zakte. Zodoende moest ik een honderd meter zeer moeizaam door de sneeuw ploeteren om bij die machinist te komen. Die machinist was zeer vrijgevig want toen ik bij hem kwam keerde hij gelijk een emmer water boven mijn schaaltje om, zodat ook mijn schoenen gelijk vol stonden, maar te drinken had ik hoewel het water zwart gekleurd was en vol beestjes zat. Als je werkelijk dorst heb, let je daar nauwelijks op en ik kon ook nog een schaaltje voor Joop bemachtigen. De terugweg was iets gemakkelijker daar ik in mijn oude spoor kon lopen, maar bij de wagon raakte ik de grootste helft van het water kwijt doordat Joop niet snel genoeg was om het schaaltje aan te pakken omdat ik het tegen twintig andere handen moest verdedigen. Toen echter de anderen in de gaten kregen dat de trein nog wel even zou blijven staan werd het een grote aanval op de water tankende locomotief. Het was een grappig gezicht een tiental door de sneeuw ploegende jongens, waarvan een groot gedeelte struikelden over de onder de sneeuw onzichtbare dwarssporen.
Na dat oponthoud naderden wij om half zeven een voorstad van Keulen.n. l. Mülheim waar geïnformeerd werd of het voorliggende baanvak sneeuwvrij was, waarna we weer verder gingen.
Iedereen verlangde naar het einde van de reis, onze benen waren tot ver boven de knieën gevoelloos van de kou, zaten we onder de blauwe plekken van het op en tegen elkaar vallen telkens als die ellendige locomotief weer een aanloop nam om door de sneeuw heen te breken. Ook hadden de meesten van ons maagpijn van het droge brood en zoute kaas en snakten we naar iets warms te drinken. Ook het gebrek aan slaap speelde ons parten en had ons nog meer uitgeput. Iedereen keek met gezwollen oogleden om zich heen als je niet beter wist zou je aan een stelletje koeien in de wei denken.
Na enige tijd konden we goed merken dat we in de omgeving van het front kwamen, overal stonden ingesneeuwde stellingen en militaire voertuigen, druk doende militairen liepen rond met stafkaarten en in de verte hoorde je gedreun en zag je lichtflitsen. Eindelijk om kwart over zeven zagen we in de schemer de stad Keulen en stopte onze trein.
Even later kwam de Grüne Polizei met de mededeling dat we het perron op mochten maar niet verder weg moesten gaan, want over een half uur gaan jullie weer terug naar Holland want er is hier geen plaats. Jullie worden in Wezep gestationeerd en daar zullen jullie voldoende eten en drinken krijgen. Door dit vooruitzicht bleef iedereen op het perron rondhangen, we waren bang om anders de trein te missen als deze zou gaan rijden. Hadden we achteraf die ellendeling maar niet geloofd, Joop en ik hadden de benen moeten nemen op zoek naar Herman in Düsseldorp, misschien had hij ons bij de post aan een baantje kunnen helpen. Het zal zo ongeveer 11 uur geweest zijn toen we aankwamen en direct begon ik het station te verkennen, na een paar minuten had ik beneden in een paar gangen een ondergronds café gevonden waar ze voor Hollands geld een prima glas donker bier schonken, daar kon ik me eens lekker onthalen op een behoorlijke hoeveelheid bier. Joop had geen zin om mee te gaan, die bleef boven bij de trein, daar was een klein wachthuisje met een kraan zodat op hij zijn dorst kon lessen. Na het bierfestijn ging ik weer terug naar het perron en toen ik weer een beetje aan het rondsnuffelen was liepen we tegen een Hollandse brievenbesteller op, bij navraag bleek dit een vriend van Herman te zijn. Hij vertelde de Herman in goede gezondheid verkeerde en ik nam de gelegenheid waar gauw een briefkaartje te schrijven waarin ik hem veel kon vertellen over de toestand thuis en onze verblijfplaats momenteel.
We waren zo blij dat we onze benen weer eens konden strekken zodat het hele station tot in alle hoeken en gaten werd bekeken, vooral die vooroorlogs aandoende verlichting stond ons wel aan, ook de kant waar onze trein stond had nog niet zoveel van de bombardementen geleden, op enige gaten in de overkapping na waar de sneeuw doorheen dwarrelde  was deze kant nog geheel overdekt. Dat nam niet weg dat toch zo'n vier vijfde deel totaal onbruikbaar was geworden.
Plotseling floot de locomotief van onze trein weer en moesten we weer de wagons in, we hadden gehoopt dat Herman ons berichtje ontvangen had en nog kans zou hebben gezien naar ons toe te komen, maar die hoop werd met het vertrek van de trein de grond in geboord. Om ongeveer 24.00 uur vertrokken we uit Düsseldorp  en gingen we weer de donkere eenzaamheid in, zo eindigde de 11e januari en waren we inmiddels twee dagen onderweg. Doordat de maan achter de wolken bleef werd van de omgeving niet veel waargenomen temeer daar iedereen zich steeds vermoeider  ging voelen. Alleen de namen van de stations die we passeerden  waren te zien, zoals  Gerrisheim, Wuppertal, Barmen, Schwelm, Gevelsberg en Hagen. Van Hagen stond niet veel meer overeind en vandaar ging het naar Westhoven en Schwerte waar we op een groot rangeerterrein werden gereden, de trein stopte en nadat de locomotief werd losgekoppeld ging deze er vandoor. Na een half uur werd er gezegd dat we moesten uitstappen maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan, we waren stram van de kou en op van vermoeidheid zodat de begeleiders ons uit de wagons moesten helpen. Joop was wel erg stijf maar mankeerde verder niets, ik had het ongeluk dat ze me die nacht twee nagels van mijn tenen hadden stuk getrapt, de rest was nog redelijk gaaf, iedereen had wel een of andere verwonding of kneuzing maar we waren wel weer blij die ellendige trein te mogen verlaten. Zo ging ieder met zijn bagage op de nek met de begeleiders ernaast  door de dikke sneeuw op weg, achteraan liepen ook nog wat begeleiders om hen die over de dwarsliggers struikelden weer overeind te helpen.
Het zal ongeveer  5 uur van de 12e januari geweest zijn dat we de trein hadden verlaten en aan dat rangeerterrein scheen maar geen einde te komen, pas na 20 minuten waren we aan het einde en in het plaatsje Schwerte en stopten voor een groot gebouw waar onze begeleiders naar binnen gingen. We zetten onze bagage neer en keken om ons heen en zagen ondanks het vroege uur al veel mensen naar hun werk gaan, jongere mannen dan 60 jaar zagen we echter niet maar wel vrouwen van alle leeftijden die er oud en zorgelijk uitzagen.
Toen het een beetje licht begon te worden zag ik in de omtrek enige bergen waar de opkomende zon tegenaan scheen. Ik zei tegen Joop “ik geloof nooit dat we in Wezep zitten, de hele zaak komt me onhollands voor en die huizenbouw bevalt me ook al niet”.
In die tussentijd waren de begeleiders weer buiten gekomen en werden we weer in beweging gezet. Na 10 minuten kwamen we aan een tramhalte waar lijn 2 stilstond, een begeleider vroeg aan de conducteur welke kant we moesten naar de “loc.fabrik”. Loc.fabrik? Dat hadden we zeker niet goed verstaan, daarom vroeg een van ons aan een “grüne”:”wat is dat “loc.fabrik”? “dat is een grote butterfabrik, daar moeten  jullie de boter inpakken, daarbij valt er altijd voor jullie wel iets af”. Beter kon het niet en opgewekt marcheerden we verder naar de lok.fabrik waar we na een half uurtje aankwamen. We zagen een immens groot terrein voorzien van grote uit steen opgetrokken hallen. Het leek wel een grote stad omgeven door een 5 meter hoge muur met aan de bovenkant prikkeldraad en glas en in het midden van het terrein een hoge uitkijktoren. Ik dacht dat wordt boter met een raar bijsmaakje.
Door een militair werd met een sleutel een groot hek in de muur opgemaakt, we moesten naar binnen en achter ons werd het hek weer op slot gedaan en werd voor de zoveelste keer in de ijskou gewacht. We marcheerden na een kwartier door een laan naar een barakkenkamp waar we in een grote barak werden binnengelaten. Hier werden we toegesproken door de Lagerführer die ons de kampregels uiteenzette op een werkelijk zeer innemende manier, hij had het steeds over “ordnung muss sein”, “gummiknuppels en straflager”. Uit zijn mond klonk het net of hij een sinterklaascadeautje uitdeelde en we kregen steeds meer vertrouwen in die kerel. Na die toespraak werd ons per 20 man een barak aangewezen. Wij kregen Stube 47 toegewezen en konden onze bagage neersmijten. Binnen stonden 10 dubbele kribben met een papieren strozak met daarin een dun laagje stro. Bij de meeste strozakken kwam dit stro alweer naar buiten, doordat het dak lek was sijpelde regen en sneeuwwater naar binnen op de papieren zakken en door het vocht rotte het papier weg. Aan twee einden was een radiator met een kraan, maar waar die er voor opzat was onbekend want het maakte geen verschil of je hem open of dicht draaide de temperatuur veranderde niet. Aan de lage zolderring hingen vier boterhambordjes  met aan elk een klein electrisch lampje, daarmee was het meubilair kompleet. Wat nog wel bij het interieur hoorde was een nare weeë lucht, zoetig en mij totaal onbekend.
Doordat Joop en ik als eersten de barak binnenkwamen hadden we een dubbele krib dicht bij een radiator kunnen bemachtigen. Joop de onderste en ik de bovenste, waarbij bij mij de gedachte erachter zat dat de onderliggende al de kleine strodeeltjes van de bovenste krib in zijn gezicht zou krijgen, toch bleek later dat om andere redenen dit bovenliggen ook zijn nadeel had.
 
Na de nodige scheldpartijen over verrotte strozakken te weinig stro en lekkages, kwam plotseling een loopjongen van de Lagerführer zeggen dat we om 13.00 uur eten konden halen bij de Russische keuken en dat we tot maandagmorgen niet hoefden te werken (het was nu zaterdag 12 jan. ongeveer 11 uur). We konden nu op ons gemak onze bagage uitpakken en ons zo goed en zo kwaad installeren. Een van ons vond de lucht op den duur toch te onaangenaam en probeerde een van de twee ramen open te zetten, dit ging vlugger dan hij verwachtte, men had vergeten er scharnieren aan te zetten zodat hij met raam en al op het middenpad terecht kwam en de scherven geen geluk brachten, we hebben zolang we in die barak hebben doorgebracht de luiken voor dit kapotte raam moeten dichthouden. Sinds de vier sneetjes brood die we gisterenmorgen hadden gekregen hadden we niets meer te eten gehad en mede daardoor had niemand lust om voor enen nog iets anders te gaan doen dan languit op je krib te gaan liggen en uit te rusten van de lange koude reis. Om half een gingen we met onze schaaltjes naar de Russische keuken en kregen daar 1 liter “kappes”. Dit was een soep van gesneden koolbladeren aangemaakt met water en verdikt met stijfsel. Onze schaaltjes werden tot de rand vol geschept maar voor we weer bij de barak terug waren was door het stoten en duwen alweer een groot deel op de grond verdwenen. Iedereen vond het een prima soep, maar ik denk dat dit meer door de honger was ingegeven. Afgesproken werd dat we na een half uurtje op verkenning zouden gaan, maar onze soep was nog niet half gezakt of er werd gecommandeerd dat we moesten aantreden voor het gebouw van de 'lagerführer”, niemand uitgezonderd. Toen we bij die vrijer een half uurtje voor zijn barak hadden gestaan kwamen er een paar oudere kereltjes van de grüne polizei naar buiten en keken ons aan alsof ze nog nooit mensen hadden gezien en begonnen meewarig met hun hoofd te schudden waarop één van hen zei “dumme Hollãnder wissen nicht was antreden ist. Hierop werd ons duidelijk gemaakt dat we in rijen van vijf moesten gaan staan en na twintig minuten stonden we net als stenen op een dambord en werden we persoonlijk door de lagerführer geteld, na vier keer was hij er eindelijk van overtuigd dat het er 352 waren. We moesten toen langs een hoop kolenbalen lopen waar een “grüne” er bij ieder van ons twee in onze handen drukte, met zo'n precisie dat het wel leek of deze balen van gouddraad waren gemaakt en had zelfs de moed om deze viezigheid de naam van dekens te geven. Een eindje verder stond weer zo'n figuur bij een hoop oud ijzer, waar in betere tijden email op had gezeten. Iedereen kreeg een hoopje oud roest met de naam “lagerpan”,  en waren dus zodoende van alle luxe voorzien. We konden toen naar de barak terugkeren en onze spullen bewonderen. Na de nodige opmerkingen waaruit echt bleek dat hier Hollanders woonden, gingen we het kamp verkennen. Het eerst zagen we een lange barak waar ongeveer 60 Fransen in verbleven, rondom afgezet met prikkeldraad waardoor er alleen een pleintje beschikbaar bleef van 4 bij 15 meter met het grootste gedeelte nog in beslag genomen door een primitieve schuilkelder, in de aarde uitgegraven en bedekt met graszoden. Ze konden er allemaal gebukt net instaan. Deze Fransen mochten er alleen uit onder geleide van de SS en alleen om te gaan werken. Ze moesten de hele dag versperringen en schuttingen aanleggen en verwijderen. Na het werk werden ze weer achter het prikkeldraad gebracht en ook met luchtalarm mochten ze er niet uit, vandaar die primitieve zelfgemaakte schuilkelder. Ze waren gekleed in hun Franse uniformen welke er nog redelijk toonbaar uitzagen. We hebben nog even met een paar van hen door het prikkeldraad heen staan praten maar dit vlotte niet erg, wij spraken geen woord Frans en met Duits wilde het ook van hun kant niet erg vlotten, we wensten hen daarom maar “au revoir” en vervolgden onze ontdekkingsreis. Achter onze barak was een barak afgezet met stroomdraden, deze waren horizontaal gespannen met een tussen ruimte van 10 cm. en op porseleinen isolatoren aan de verticale palen bevestigd. Hierachter liepen een vijftigtal  mannen in gestreepte pakken bewaakt door SS-lieden, die elke stap met argusogen volgden, het geweer in de aanslag. We hadden net geroepen “hé zebra, waarom zitten jullie hier achter die telefoondraden?” toen er onmiddellijk een SS vod naar ons toekwam en riep “verdoemde Hollanders, jullie weten toch dat je niet tegen politieke gevangenen mag praten!” De zebra grijnsde en ik dacht eerst waren we dom en nu nog verdoemd ook. Hier waren we dus vlug uitgekeken, ze waren ons hier iets te vriendelijk, maar we hadden goed opgelet waar die stroomdraden waren, want als je s' nachts naar de toiletten
moest, liep je er vlak langs. Het was niet erg opwekkend om naar die mensen te kijken, ze moesten de smerigste baantjes opknappen en kregen om het minste of geringste slaag van een SS-er met een geweerkolf. Zo ronddwalend kwamen we bij de Russen terecht, die zagen er sympathiek uit maar stonken nogal, ze liepen al enige jaren in dezelfde kleding rond, deze was al meerdere malen uitgegast vanwege het ongedierte. Er bleken zo ongeveer 400 Russen te zijn allen gekleed in zwarte kiel en broek en zonder uitzondering met een pet op, zuiver horizontaal op het hoofd geplaatst. Er waren Witrussen, Oekraïners, Kirgiezen en Koerlanders. Stuk voor stuk waren ze bang voor Stalin, als we Stalin riepen en een gebaar langs onze keel maakten knikten ze allen met ernstige gezichten. Ik vermoed dat de moffen ze die angst hadden ingepompt om betere arbeidsprestaties van ze te krijgen. We zagen daar ook een aantal (ongeveer vijftig) Russische vrouwen en meisjes, een aantal hadden kleine kinderen en baby's die er verrassend goed uitzagen. Een groep Russen, ongeveer 90, hadden met witte verf een K en een G op hun rug, deze mochten niet vrij door het kamp lopen maar werden dag en nacht door SS-ers bewaakt. Hierna gingen we naar de Italianen, door de stank konden we dit zonder te vragen wel vinden, het waren krijgsgevangenen met hun uniformen nog aan, maar dat was dan ook alles, de rest was totaal weggerot en op het restant van hun uniform zat zo ongeveer wel een halve cm stinkend vet, ik had nooit gedacht dat zoiets bestond, maar wat in Nederland door elke bedelaar zou worden weggegooid zou hier een zondags kloffie geweest zijn. Ze stonken letterlijk een uur in de wind, het enigste wat ze van ons wilden was kleding ruilen voor brood, maar omdat we nog geen erge honger hadden waren we daar nog niet voor te vinden. De reden voor deze slechte behandeling was dat de Duitsers de Italianen als verraders beschouwden, zodoende kregen ze geen fabriekskleding en moesten dag in dag uit in dezelfde kleding werken.
De Russen hadden dat voordeel wel, die kregen na verloop van tijd nieuw ondergoed en een nieuwe jas. Zowel de russen als Italianen moesten in de fabriek werken.
Na ons bezoek aan de Italianen gingen we naar het kamp van onze landgenoten, die zichtbaar ingenomen waren met ons bezoek en waren erg nieuwsgierig hoe het er met de krijgsverrichtingen voor stond. We ontmoeten er een jongen die Kempkes genoemd werd, ik zeg tegen hem “als ik zo naar je tronie kijk, dan geloof ik dat je er een van de ouwe Arie Kempkes uit Leerdam bent”, hij antwoord “hoe weet je dat zo? O, maar nu herken ik jullie ook, van Fort Nieuwesteeg”. Er werden nog twee Leerdammers opgedoken en er werd een boom opgezet over grote brasems en snoeken. Onze landgenoten zagen er over het algemeen slecht uit, waren erg ondervoed en hun kleding was ook al in het stadium van vodden overgegaan. Ik zeg nog tegen Kempkes “waarom lopen jullie allemaal op je blote voeten? Is die sneeuw zo warm aan je voeten? Hij zegt “ sokken kennen we al lang niet meer, een half jaar geleden zijn de laatste sokken van onze voeten gerot en nu weten we al niet beter”.
Ondertussen was het 19.30 uur geworden en werd het weer tijd om soep te halen en hadden we geen gelegenheid om de fabriek te bezichtigen en de Belgen met een bezoek te vereren.
Het eten halen ging weer gepaard met een klein uurtje in de rij staan, waarbij de Unterlagerführer bij de ingang van de keuken met de gummiknuppel in zijn hand de wacht hield, we vernamen dat dit gedaan was voor de Russen, enige van hen stonden voor in de rij, als ze hun portie soep hadden gekregen, renden ze terug naar de barak en kwamen met een nieuw leeg schaaltje terug en gingen opnieuw in de rij staan.
De man met de gummiknuppel scheen enkele van hen van gezicht te kennen, want zo nu en dan greep hij er een bij z'n kladden en sloeg er met de knuppel oplos. Overigens was dit eten halen een koud baantje omdat je een uur lang in de sneeuw moest wachten, het was niet donker want het hele kamp was fel verlicht. Eindelijk waren wij aan de beurt en konden we de keuken binnengaan waar twee Russinnen die schepten met een lepel waar precies een liter inging uit een grote teil welke door andere helpers steeds volgehouden werd. Deze meisjes konden dit zo vlug dat terwijl je het schaaltje voorhield het ook gelijk vol was, we kregen bovendien nog een stukje kuch waar ongeveer 4 dunne sneetjes van gesneden kon worden. Het bleek dat we vanavond “steckruben” gekregen hadden, dit was gesneden koolraap en een ander soort knolletjes die wat op aardappels leken, dit alles opgediend in heet water. Nadat we in onze barak waren teruggekeerd gingen we aan de maaltijd, maar dat viel zwaar tegen, het was net alsof we een klap in ons gezicht kregen, die soep smaakte naar schoensmeer, iedereen staakte zonder uitzondering het eten hiervan, het bleek dat er geen enkele liefhebber van “steckruben” bij ons te vinden was. We begonnen van armoe maar aan ons stukje brood wat eigenlijk voor de zondagmorgen bestemd was en terwijl we daaraan bezig waren kwamen de “oude Hollanders” ( zo werden de Hollanders die hier eerder waren gekomen genoemd, wij waren de “nieuwe Hollanders”, hetgeen later altijd zo is gebleven) bij ons binnen met glunderende gezichten om zoals ze het noemden “ de soep weg te halen”. Wij vroegen “hoe wisten jullie dat wij die rommel niet lusten?”, zij antwoorden: “als er nieuwen in het kamp komen is het voor ons een feestdag, want er is niemand die hier pas komt die “steckruben” lust, morgen eten jullie het wel want hebben jullie ook honger en is voor ons de room er weer af”.
Om half tien kropen we onder onze kolenbalen en sliepen als ossen wat ook geen wonder was want we hadden sinds de nacht van dinsdag op woensdag geen minuut meer geslapen. Toen we zondagmorgen om 8 uur gewekt werden zaten onze lippen vol blaren, ook de rest van ons hadden dezelfde verschijnselen, waarschijnlijk van ons lange verblijf in de wagon. De vent die ons wekte zei dat we met ons persoonsbewijs naar stube 54 moesten komen en daar ons beroep moesten opgegeven. Ik zei tegen Joop dat we allebei moesten zeggen dat we rijwielhersteller waren dan hoeven we waarschijnlijk alleen kleine schroefjes los en vast te draaien. We moesten ons persoonsbewijs afgeven, er werd bij gezegd dat we het na twee dagen weer terug zouden krijgen. Enige jongens die daar niet veel zin in hadden werden mee naar buiten genomen en werden door de man met de gummiknuppel bedreigt met de woorden: ”Jullie moeten hier gehoorzamen of ik zal jullie leren hoe dat moet “ordnung musz sein”. Zo raakten we ons persoonsbewijs kwijt en hebben het ook nooit meer teruggekregen. Bij dat inschrijven kwam zoveel papier te pas dat de gehele ochtend hieraan werd besteed. Om 13.00 uur kregen we weer onze gebruikelijke hoeveelheid soep na de bekende tijd in de rij doorgebracht te hebben.
 
Hierna werden we weer geroepen om te worden ingeschreven voor het werk in de fabriek, ook hier kwam er weer veel administratieve rompslomp aan te pas. Dat nummers uitdelen ging als volgt in zijn werk: Achter een tafel zat een soort econoom, een uitgedoste dandy in een gala- uniform, die telkens een naam riep, die persoon moest dan bij hem een nummer komen halen. Die kerel sprak echter de Hollandse namen zo beroerd uit dat ik daardoor drie keer een nummer bij hem ging halen en de jongen naast mij kreeg op die manier twee nummers. Het einde van het liedje was dat de hele boel in het honderd was gelopen en het avond was voor iedereen het goede nummer had. Joop had nr.1372 en ik had het hoogste nummer 1663. Joop had gelijk het slechte vooruitzicht om maandagavond om 18.30 uur de nachtdienst in te moeten terwijl ik maandagmorgen om 7.00 uur de dagdienst zou moeten vervullen. Er werd meegedeeld dat een werkweek uit 72 uur bestond met om de week nacht en dag dienst. Joop kwam in de “Kesselhalle” en ik in de “Loc.halle”( van boter was geen sprake, maar van stinkende vette locomotieven). 's Avonds hadden we na de gebruikelijke tijd in de rij te hebben gestaan weer ons gebruikelijke portie “steckruben”, wat we opaten door de honger gedreven, het spreekwoord “honger maakt rauwe bonen zoet” was hier wel erg van toepassing. Net toen we onze avondsoep ophadden kregen we ons eerste luchtalarm, de fabriekssirenes loeiden en alle lichten in de barakken, fabriek en terreinen gingen tegelijk uit. Daar zaten we nu in het donker, we hadden al veel gezien maar een schuilkelder, daar had niemand van ons aan gedacht. Van armoe gingen we maar naar buiten en gelukkig hoorden we in het donker de Russen hollen en hadden daardoor gelijk de goede richting te pakken. We moesten over een rangeerterrein tussen de wagons door en kwamen uiteindelijk bij een fabriekshal waar we een keldertrap van twaalf treden af moesten waarna we in een lange gang kwamen. Het eerste stuk van 15 meter moesten we door 10 cm. hoog water waden zodat we gelijk natte voeten hadden, de gang van 75 cm. breed en 1.70 m. hoog had een lengte van 250 meter was voorzien van goede verlichting en verwarming ontbrak ook niet daar er langs de muur drie stoomleidingen van 30 cm. middellijn liepen waardoor het grootste deel van de ruimte hierdoor in beslag werd genomen. Ook aan insecten ontbrak het niet, midden in de winter vlogen daar huisvliegen rond, veel krekels en een ander insect wat ze kakkerlakken noemden. Die beesten leken veel op vlooien maar dan 3,5 cm. groot met kleine kraaloogjes. Deze nare beesten konden geweldig hard lopen, als zo'n griezel je nek in kroop wurmde je net zolang tot je hem verwijderd had. De grootste vertegenwoordigers van de insectenfamilie waren echter de wandluizen, die zaten werkelijk overal in elke kier of gaatje zag je ze zitten. In deze onderaardse gang moesten we allemaal strak tegen de muur staan, zodat degenen die later kwamen weer langs je heen konden schuiven. Zo zaten we dan met “arbeidskamaraden” van zes verschillende naties broederlijk bij elkaar in het onderaardse Duitse paradijs. Van de vliegtuigen was niet veel te horen daar iedereen in zijn eigen taal zijn mening ten beste gaf, wel hoorde je zo nu en dan een paar bommen vallen, dan stonden je oorvliezen te trillen. Later bleek dat de bommen die het dichtstbij vielen altijd nog een kilometer ver weg gevallen waren, hierdoor waren we ervan overtuigd dat als er bommen op de fabriek zouden vallen en de kelder niet getroffen werd, dan zouden we toch gedood worden door de luchtdruk omdat de lange kelder geen expansie aan de drukgolf kon geven vanwege zijn lengte en vorm. Ook een voltreffer kon de kelder niet weerstaan, het laagje beton was hooguit 8 à 9 cm dik. Na het sein “alles veilig” gingen de lichten weer aan en konden we weer terug naar onze barak om te proberen nog wat nachtrust te genieten voor we om 6 uur uit de veren moesten, De nacht ging verder rustig voorbij en om prompt 6 uur werden we gewekt. Hiervoor hadden ze een goed systeem, het licht bleef de hele nacht branden, maar om 6 uur ging het ca. 15 seconden uit, op deze manier werd het hele lager om 6 uur geruisloos gewekt.
Bij het opstaan merkte ik dat mijn hele gezicht onder de stuivers grote bulten zat, misschien is het wel van die beroerde steckruben dacht ik nog, als dat zo is dan gaat het vanzelf wel weer over, het bleek overigens dat ik niet de enige was met dit verschijnsel.
Aankleden was verder niet nodig daar iedereen in zijn bovenkleding sliep vanwege de kou en de dunne kolenzakken waarmee we ons moesten toedekken.
Onze gang was toen naar de wasbarak die er wonder wel behoorlijk uitzag, wel moest je een heel eind lopen door de sneeuw, maar het loonde de moeite, je kon warm of koud water gebruiken en ook douchen waar door een achttal Russen in Adamskostuum druk gebruik van werd gemaakt. Bij de Hollanders was nog niet veel animo om hiervan gebruik te maken, we waren er nog te preuts voor denk ik. Hierna was de gang naar de toiletten, daar was het een vuile bedoening, er stonden 8 toiletten met een tussenruimte van 10 cm. zonder afscheiding naast elkaar waarbij een halve meter ervoor over hele lengte een waterplaats was aangebracht. Voor beide behoeftes moest je in de rij gaan staan en op je beurt wachten. Een en ander vonden we wel een erg sterk staaltje van arbeidskamaraadschap, maar ja, nood breekt wet. Het was inmiddels 7 uur geworden en gingen we naar de fabriek, waar we ons eerst moesten melden bij de “betriepsführer”  en die gaf mij met nog vijf Hollanders over aan de “colonneführer “van de sloopbeweging. Zo werd er een werkploeg van 20 man gevormd met 6 Russen, 4 Italianen, 3 Belgen en 6 Hollanders en de Duitse colonneführer. Deze bracht ons eerst bij een hoop drek, wat door hem “arbeitsanzügen” werden genoemd, ze wogen zwaar van het vet. Iedereen kreeg een kiel en een broek althans zo werd het genoemd, als je het over je kleren aantrok waren deze ook gelijk naar de maan. Toch grepen die Hollanders zo vlug naar die rommel, dat er voor mij niets meer overbleef, hetgeen ik niet zo erg vond want ik dacht “nu worden mijn kleren niet zo smerig”. Ik zei tegen de colonneführer: “ keine antzug, keine arbeit”. Hij grijnsde eens en zei: “zeg dat maar tegen de betriebsführer”. Ik naar die vent toe en die bleek voor mij heel meegaand te zijn, toevallig had hij een familielid die “Mol” heette, wat voor mij al een stap in de goede richting was. Het eind van het liedje was dat hij voor mij een bon schreef voor een arbeidsantzug. Daar moest ik mee naar het magazijn wat een kwartier lopen bij de loc.hal vandaan was. Daar aangekomen beklom ik een trap naar 3 hoog waar in een ruimte 3 ouwe Duitsers zaten. Ik gaf mijn bon aan een van hen, waarop ik naar een stapel vieze lorren werd gebracht. Ik zei tegen hem: “dat is vieze drek”, “nein, zei hij dat zijn sauber gemachte arbeidsanzuge”. Ik dacht: “De Pauw in Schiedam kan dat beter en dan op de bon!” Toen ontdekte ik een stapel werkkleding die er nogal fatsoenlijk uitzag, ik zocht een stelletje van de besten uit en zei tegen die ouwe: “die neem ik”. “Dat gaat niet” zei hij, “dat is kleding van de politieke gevangenen” en maakte me attent op een groot geverfd kruis op de rug van de kiel dat reikte van het ondereind tot boven in de kraag met een lettergrootte van10 cm. Ik zei: “dat geeft niets, dat was ik er wel uit”, ook de broek was van twee prachtige loodwit banen voorzien. Bij terugkomst in de fabriek keek de colonneführer me eerst wat argwanend aan, maar even later herkende hij me toch en nam me mee naar de betriepsführer. Die vertelde dat ik het wel aan kon houden want aan het einde van de week zouden de politieke gevangenen toch vertrekken. Vanaf dat ogenblik was ik de enige die letterlijk zijn kruis op de rug moest dragen. Weer terug bij de groep waren deze al nijdig aan de arbeid, ze moesten een locomotief tot op de wielen na slopen. Door mijn latere komst had ik het voordeel dat de smerigste baantjes al langs me heen waren gegaan. Ik werd aangewezen om de bovenboel er af te halen, deze bestonden uit de schoorsteenpijp, twee zandzakken, het ventiel, twee veiligheidskleppen, twee keteldeksels, alle armaturen, twee compressoren en het losmaken van de cabine. De colonneman zei: “als dat “fertig” is, dan heb je “feierabend”, waarbij ik dacht: “ wanneer dit klaar is dan is het kerstmis”.
Maar dat viel mee, om 13.00 uur had ik de helft al klaar en gingen we weer naar het lager om te eten. Schafttijd duurde van 13.00 uur tot 13.45 uur dus moesten we voortmaken. In de barak gekomen zag ik dat er in mijn etensschaaltje 9 wandluizen lagen, ze deden hun uiterste best om tegen de gladde wand op te klimmen, hetgeen niet lukte, ik gooide ze naar buiten en ging mijn eten halen. Nu wist ik ook meteen dat die bulten op mijn gezicht en nek niet van de steckruben waren. Als er op dat kleine oppervlak van het schaaltje al negen zaten, dan zaten er overal nog veel meer. Toen we ons eten op hadden zeg ik tegen Joop: “Als jij soms in de bovenste krib wilt slapen is het mij om het even hoor”, waarop Joop antwoordde: “nee, hou jij je wandluizen maar, je denkt toch niet dat ik de hele ochtend geslapen heb, ik heb eens goed rondgekeken en ben tot de ontdekking gekomen dat deze beestjes zich van de zolder laten vallen, zodat degene die boven slaapt de meeste wandluizen heeft”.
 
Om kwart voor twee klom ik weer op mijn locomotief en begon weer ijverig los te schroeven waarbij de colonneman me de raad gaf om bouten en moeren die te vast zaten, los te branden. Daar had ik wel oren naar, dat losschroeven ging veel te zwaar, gisteren hadden we trouwens afgesproken dat ik rijwielhersteller was en aan een fiets zitten geen bouten van 3 en 4 duim (inch). Het eind van het liedje was dat ik alle bouten waarvan ik vermoedde dat ze te vast zouden zitten met de snijbrander te lijf ging en dat waren ze dus grotendeels allemaal. Om 5 uur was ik klaar met mijn deel en besloot ik de omgeving maar eens een beetje te gaan verkennen. Tijdens onze werkzaamheden bevonden we ons in een grote hal welke in tweeën was verdeeld door een in het midden geplaatste tussenmuur. De ene helft waar ik werkte werd in beslag genomen door ruim 100 locomotieven, in de andere helft bevonden zich de draaierij en de bankwerkerij. Bij elke locomotief was een grote werkruimte met een werkbank voorzien van 6 bankschroeven en tevens een gereedschapskast. Er was een ruimte vrijgehouden om de onderdelen van de locomotieven neer te leggen die van de sloop afkwamen. De groep waarbij ik hoorde had tot taak de ketel uit de locomotief te slopen, dat wil eigenlijk zeggen, de hele locomotief slopen to op de wielen na, want een loc. bestaat uit een grote ketel op wielen, alleen de cabine kan er af, de rest is één massief geheel met inwendige stoombuizen en vlampijpen, zelfs de vuurhaard is één met de ketel. Nadat wij gereed waren ging de rest weer op een ander spoor en kreeg een andere ploeg zijn werk er weer aan. Voor transport was nergens handkracht nodig, alles ging met electrische kranen. Op een hoogte van 8 meter reden vier kranen van voor tot achter door de hele hal heen. Deze kranen konden tot 10 ton tillen en verplaatsen, daarboven op 14 m. hoogte reed een grote kraan met een hefvermogen van 50 ton, die pakte een complete locomotief en bracht hem op 6 meter hoogte naar de plaats van bestemming.
Ik denk: “nu heb ik binnen wel genoeg gezien en ga maar eens buiten een kijkje nemen”, maar bij de deur aangekomen greep de colonneleider me in mijn kraag en moest ik de anderen gaan helpen. Ik dacht, met dat smoesje zal je me morgen niet meer pakken vader, “als je klaar ben heb je feierabend”, het mocht wat. Zo werd er tot half zeven doorgewerkt en kwam de nachtploeg ons aflossen, namen ons gereedschap over en moesten weer een andere locomotief slopen en hiermee klaar zijn als we de andere morgen het werk weer zouden overnemen. Op die manier werden er per week 56 locomotieven afgebroken en weer opnieuw in elkaar gezet. Het aantal van 56 stuks was verplicht, de fabriek had hiervoor een regeringscontract lopen, indien dit aantal niet bereikt werd moest er ook zondags gewerkt worden. Dat kon allemaal voor een handjevol waardeloos bankpapier en wat bevroren knolrapen worden bereikt.
Om 19.30 uur kregen we weer onze gebruikelijke portie stekruben. Na dit “diner” vertelde een van de jongens dat hij vandaag naar de dokter was geweest en het zover had weten te krijgen dat hij afgekeurd werd, dat was eigenlijk geen wonder want hij was geboren in de vorm van een hoofdletter C.
Hierdoor moest hij altijd een gipscorset dragen en was finaal krachteloos, morgen zou hij weer met een militaire verloftrein naar Holland terugreizen. Ik nam de gelegenheid waar vlug een brief naar huis te schrijven met de mededeling dat we het hier geweldig hadden, drukte de jongen een knaak in zijn handen en kreeg gedaan dat hij hem in Holland op de bus zou gooien.
Om 21.00 uur kregen we weer luchtalarm, wat tot 22.30 uur duurde, waarop de nacht verder rustig verliep op de wandluizen na, die maakten het die nacht wel al te bont. Het enige afweermiddel tegen die krengen was om je broekspijpen en mouwen dicht te binden.
Joop sliep niet in de barak want die maakte zijn eerste nachtdienst. Hij had vanaf s' middags 13.00 uur geen eten meer gehad en moest tot vannacht 24.00 uur wachten tot hij weer wat kreeg. Per dag kregen we een liter koolbladerensoep en s' avonds een liter   stekruben met een stukje brood waar je vier dunne sneetjes van kon snijden. Dit brood werd direct met de soep opgegeten zodat je tot de andere dag 13.00 uur op een houtje kon bijten.
De eerste dagen ging was dit dieet nog wel uit te houden, maar allengs begon de honger toch aan ons te knagen.
s' Morgens was het weer wasbarak, toiletten en naar het werk, waar ik zag dat onze colonne in plaats van 20 nog maar 18 man telde, waarbij het de bedoeling was dat we dezelfde hoeveelheid werk als gisteren moesten doen. Omdat echter de kollonneleider voor drie man meewerkte, verminderde het werk er niet op. s' Middags met soep halen kwam ik Joop tegen en vroeg hem wat voor werk hij moest doen. Het viel hem nogal mee, hij moest in een zelfde soort hal werken als ik, maar die stond vol met locomotiefketels waaraan hij met een luchthamer anderhalfduims klinknagels moest aanbrengen. Dat bezorgde hem wel eens een bloedneus, maar daar kwam hij wel overheen, het ergste was de slaap en de honger.
s' Middags om 14.30 uur kregen we luchtalarm, maar het was niet om de fabriek te doen maar om de stad Dortmund waarop ze hun bommen lieten vallen. Die plaats lag ongeveer 7 km. van ons vandaan, er braken daar grote branden uit. Om 15.30 was het weer veilig.  Het luchtalarm ging als volgt: In elke fabriekshal stonden twee sirenes, wanneer 3 maal een lange stoot met een wachtruimte van 10 seconden werd gegeven, was het vooralarm, het teken dat er vijandelijke vliegtuigen op 15 km afstand van de fabriek genaderd waren. Bij een afstand van 5 km. Gaven de sirenes 1 minuut lang korte huilerige stoten en moest iedereen de vrij was en zich in het lager bevond onverwijld naar de schuilkelder. In de fabriek echter ging het werk gewoon door. Als de vliegtuigen echter boven de fabriek rond bleven draaien en kennelijk hun doel in de omtrek of op de fabriek zochten werd groot alarm gegeven door heel harde electrische bellen die overal opgesteld stonden, deze gaven zo'n hard snerpend geluid dat zelfs een doofstomme dit nog had kunnen horen. Je moest dan zo snel mogelijk het werk verlaten en naar de schuilkelder hollen. Bij een echte aanval op de fabriek was je dan natuurlijk veel te laat.
Dit laatste sein werd echter thans niet gegeven, zodat we helaas door moesten werken. Om 19.00 uur waren we met onze loc. klaar, we hadden deze dag een makkie daar de locomotief waaraan we werkten door een bom was getroffen die dwars door de ketel was gegaan waardoor de meeste onderdelen er reeds waren afgevlogen. s' Avonds hadden we weer onze steckruben waarvan we inmiddels smulden al waren het jonge doperwten. Joop had een briefje op het bed gelegd met de mededeling dat hij zijn sjaal bij de Italianen had gebracht in ruil voor een pond brood. Ik kon hem daar geen ongelijk in geven, je kon beter iets in je nek als om je nek hebben. Hij was trouwens de enigste niet, de meeste jongens brachten hun spullen naar de Italianen. Zodoende waren er al vaste prijzen ontstaan. Een dikke winterjas bracht een brood van 2 kilo op, een dikke wollen deken anderhalve kilo als hij van echte wol gemaakt was. Ook ondergoed en windjacks waren in trek. Ook met Hollands geld kon je brood kopen tegen f 55,= per pond.
Marken, franken en roebels hadden in de handel geen waarde. Waar de Italianen dit brood vandaan haalden wisten wij niet, maar de hoofdzaak was dat ze het hadden.
's Avonds hadden we weer luchtalarm, maar we waren weer niet aan de beurt, het was voor de stad Hagen bedoeld.
De woensdag ging voorbij met werken en luchtalarm, donderdag had er bij mijn groep een incidentje plaats, een der Hollanders gooide een aandrijfstang van de locomotief en vergat zijn been weg te halen zodat zijn grote teen doormidden was en zijn overige tenen er ook niet best aan toe waren. De jongen was dit zware werk met ijzer niet gewend, normaliter zat hij in Rotterdam op kantoor, zodat hij er totaal geen kijk op had.
Op vrijdag 18 januari gingen de politieke gevangenen weg, ze werden in wagons geladen en vertrokken onder toezicht van de SS. Wij waren blij met hun vertrek want om elke dag te moeten toezien hoe deze mensen getrapt en geslagen werden was ook geen pretje. Deze mensen hadden ook in de fabriek gewerkt maar mochten maar in bepaalde gemarkeerde gedeeltes komen, aan het eind van zo'n werkplek stonden bordjes met “für häftlinge halt!”. Ze mochten hier geen stap voorbij zetten, maandagochtend was er een politieke gevangene vlak bij zo'n bordje bezig om het vet van de vloer te steken.
Een Duitse burger bood hem een sigaret aan, om deze te pakken moest hij een stap over de witte streep doen, dat werd zijn ongeluk, want bij de uitgang op 40 meter afstand stond een SS- er, die legde aan en schoot hem dood. Volgens de Duitsers deed die zijn plicht want “Ordnung musz sein”.
Met het weggaan der politieke gevangenen raakten we ook onze afzetting  onder stroom naast onze barak kwijt. s' Avonds deelde de lagerführer ons mede dat we zondagmiddag waarschijnlijk het kamp van 14.00 tot 17.00 uur mochten verlaten tot op een maximale afstand van 3 km. Zaterdag was ook weer een gewone werkdag van 7.oo uur tot 18.30 uur, toen we onze steckruben gingen halen kregen we er een flink stukje brood bij, maar er werd bij gezegd dat we er tot dinsdag mee moesten doen. Een uurtje later zeg ik tegen Joop: “Hoe staat het met je brood?”, “O, zegt hij, dat is al aan het zakken”.
Het bleek dat ik de enige op de kamer was die nog iets over had. Om 20.00 uur was er een verplichte bijeenkomst. Een kerel van het D.A.T. zou spreken, er konden echter geen vragen worden gesteld. Het enige nieuws wat hij had was dat tot zijn leedwezen het broodrantsoen verlaagd moest worden en ook de hoeveelheid soepingrediënten die per maand werden verbruikt zouden nu uitgesmeerd worden over 5 weken. Toch konden we volgens hem een beter rantsoen machtig worden door dienst te nemen bij de N.S.K.K., daar kregen we prima eten,
veel geld en goede kleding. Gelukkig kregen we om 21.00 uur luchtalarm zodat we van deze kerel verlost werden. Zondagmorgen konden we voor het eerst een beetje uitslapen, niet allemaal want 4 man moesten sneeuwruimen, maar daar waren wij gelukkig niet bij. Dat sneeuwruimen ging op nummer, die werden door de lagerführer bekend gemaakt. Joop had geluk dat hij de nacht van zaterdag op zondag niet hoefde te werken en kon nu ook uitslapen. Als je nachtdienst had kwam je toch al een hoop slaap tekort, je kon overdag bij geen luchtalarm van 7.00 uur tot 12.30 uur slapen, in de middagen kwam er nooit iets van want dan had de lagerführer altijd wel een of ander karweitje voor je, hetzij sneeuwruimen, barakken schoonmaken of dichtplakken en s' avonds ging je weer met een lege maag naar de fabriek.
De hele zondagmorgen werden er plannen gemaakt waar we die middag heen zouden gaan, de meeste jongens hadden het over weglopen en bij de boeren gaan werken. Ik zeg tegen Joop: “we zullen er nog niet aan mee doen, want volgens mij zit er een luchtje aan. Bij de “oude Hollanders was er ook geen animo om weg te lopen, die kende het klappen van de zweep al zo'n beetje. We gingen met 16 man van onze kamer de poort uit, 4 man hadden zich afgezonderd, die zouden weglopen, terwijl wij de stad Schwerte eens zouden bekijken. Het was mooi helder weer, zodat we de natuur eens goed konden bewonderen. Aan onze linkerkant was een bergrug, ook net als het overige landschap, dik onder de sneeuw, rechts van ons was een vlakte met akkers onder de sneeuw, voor ons op een km. afstand de stad Schwerte. Halverwege stond een aardig cafétje waar we voor 25 pfennig een prima glas bier kregen. Na onze dorst gelest te hebben gingen we verder en kwamen bij het begin van de stad waar de huizen al flink van de bombardementen geleden hadden. De stad Schwerte lag aan de onderkant tegen een heuvel, was daar in de schuinte tegen aan gebouwd met smalle straten die lastig te bewandelen waren doordat de straten geplaveid waren met grote granietblokken, trottoirs waren er niet, ieder had al naar behoefte een hekje voor zijn deur gemaakt of hier en daar een paaltje ingegraven, je moest zodoende goed uitkijken waar je liep. Ook de huizenbouw was anders dan wij gewend waren, haast allemaal waren ze van granietblokken opgetrokken, waardoor het geheel op een stad uit de middeleeuwen leek. Het was ongeveer zo groot als Schiedam, met 3 bioscopen en een 6- tal kerken. Er reed ook een tram die tevens de verbinding onderhield met de omliggende plaatsen. Bij de bioscoop was het al net als in Rotterdam, er stonden ook honderden mensen in de rij. De kerken waren mooi gebouwd met rondom zuilen en met torenspitzen van verschillende modellen. Ook hier flaneerden de meisjes net als bij ons op de Beierlandse laan en de Groene Hilledijk. Ze waren niet zo bijdehand als in Rotterdam, ze zeiden niet eerder wat dan nadat je ze aansprak. Ze konden ook nog blozen. Tegen 16.30 hadden we genoeg gezien en gingen terug naar het lager. In die drie uur dat we onderweg waren hadden we inmiddels 3 keer luchtalarm gehad, waar de Duitsers veel banger voor waren dan wij, zodra ze maar een vliegtuig hoorden vlogen ze al naar de schuilkelder. Wij gingen van de gedachte uit dat het wel zeer toevallig zou zijn als er een bom zou vallen waar wij net liepen. Op zulke ogenblikken was het een uitgestorven stad, kwam je iemand tegen, dan was het geheid een Hollander. De schuilkelders waren nog primitiever dan bij ons. Schwerte had nog niet zoveel van de bombardementen te lijden gehad, de burgers hadden zelf de schuilkelders aangelegd.
We telden ongeveer vijftig voltreffers. We hadden nooit gedacht in Schwerte eten te kunnen kopen, maar alles ging net als thuis op bonnen. Het enige wat te koop was, waren een paar stukken kleizeep en een stuk “gist”. Zo gingen we weer maar naar ons lager, waar we ook niets te eten kregen want zondagsavonds werd er geen soep verstrekt. Daarvoor hadden we gisteren brood gehad, maar ja, dat was op. Ik zei tegen Joop: “We hebben nog een paar sneden brood van gisteren die ik bewaard heb dus hebben we toch nog wat” Maar toen ik de sneetjes uitpakte renden er zo'n twintig kakkerlakken uit het papier, ze hadden ruim een derde van het brood opgegeten. Joop zei: “ Dat jasje wat ik nu aan heb is eigenlijk overbodig, als we weer eens weg gaan dan kan ik best in mijn overal gaan, ik zal het even bij de Italianen brengen”. Even later kwam hij terug met drie pond brood en was het hongerprobleem even tijdelijk opgelost, we hadden zelfs nog wat over voor morgen. Het was nu duidelijk waar de Italianen dat brood vandaan hadden, een ploeg was onder bewaking belast met het dorsen van bonen en graan. Die ploeg bracht dan gezamenlijk een hoeveelheid voerbieten mee en aten die op. Op die manier konden ze hun broodrantsoen uitsparen.
's Avonds bij het appèl bleek dat er ruim dertig man de benen hadden genomen. Om kwart voor negen kregen we weer het gebruikelijke luchtalarm wat tot 11.30 uur duurde. Dat was voor mij niet zo erg ik kon toch uitslapen daar ik de nachtdienst had, ik moest morgenavond om 18.30 uur op het werk zijn. Joop was blij dat hij de dagdienst had. De volgende morgen om 8.00 uur moest iedereen die s' avonds nachtdienst hadden aantreden en werden we aan het werk gezet. We moesten bij een grote barak die finaal onder de wandluizen zat elk kiertje en elke deur of raam met plakband dichtplakken, zodat hij zo goed mogelijk luchtdicht was. Binnen werden er dan een soort potten neergezet waar een soort zwaveldamp uit opsteeg, wat het precies was weet ik niet maar het stonk geweldig. Na een week, soms ook wel langer, ging het plakband er weer af en was de barak volgens onze lageraanvoerder volledig luisvrij. Onze barak was nog lang niet aan de beurt, die was vlak voor wij kwamen schoongemaakt en zou pas over drie maanden weer een kans krijgen. Tussen die bedrijven door was het 13.00 uur geworden en konden we weer ons portie soep van boerenkoolbladeren halen. Na het eten heb ik de strozakken van Joop en mij een goede beurt gegeven door ze mee naar buiten te nemen en er met een stuk hout op te slaan, zo raakten we en paar honderd wandluizen en ander gespuis kwijt. Te lang kon ik er echter niet op blijven slaan want anders bleef er geen stro meer over om op te liggen, nieuw stro was er niet. Tegen de avond werden de weglopers weer door de politie teruggebracht, ook de 4 jongens van onze kamer waren daarbij. Ze werden naar de unterlagerführer gebracht en daar met de gummiknuppel afgerost, tevens werden ze veroordeeld  om een maand in de bunker te werken, ook op zondag. Dat bunkerwerk werd altijd door politieke gevangenen gedaan en als straf beschouwd en was zwaar werk. Diep in de grond zou deze bunker als schuilkelder moeten dienen, van dik gewapend beton voorzien zijn zodat hij voor elk kaliber bom onkwetsbaar was en gereed komen in 1948. Nu de politieke gevangenen weg waren had de lagerführer op die manier zijn werkkrachten bij elkaar.
Rotterdam toen en nu