Rotterdamse herinneringen - pagina 1 |
|
Deze herinneringen aan het jaar 1940 zijn in 1965 geschreven voor de jongeren van die tijd...... |
Dit is voor jullie geschreven, jongens en meisjes van het nieuwe Rotterdam. Het werd geschreven, omdat het in 1965 vijfentwintig jaar geleden was, dat wij werden overvallen en bezet door; Duitse soldaten. Vijf jaar lang hebben wij alles verdragen. Wij hebben gestreden voor een vrij Nederland, voor jullie. Twintig jaar geleden rolde de vrijheid binnen; juichende soldaten op tanks en in auto's verlosten ons van het kwaad. Wij hebben de puinhopen opgeruimd en een nieuwe stad gebouwd. Een stad voor jullie, om in te spelen en te werken; een stad, waarin je gelukkig kunt zijn. Wij zijn trots op onze nieuwe stad. Maar wij vergeten nooit, hoe het kwam, dat wij opnieuw moesten beginnen. Er zijn mensen, die nog zoveel verdriet hebben van alles, wat je in deze rubriek kunt lezen en zien, dat zij de Duitsers haten om wat zij deden. Dat doen wij niet. Haat is dom. Haat leidt tot niets. Wij hebben geleerd, dat wij niet de mensen moeten haten, die onze stad vernielden, onze huizen in brand staken en onze jonge mannen weg haalden. Wij hebben alleen geleerd, dat wij moeten voorkomen dat dit ooit weer kan gebeuren. Daar moeten jullie ons bij helpen. Jullie hebben, gelukkig, deze gruwelijke tijd niet meegemaakt. Wij wel. Misschien willen moeder en vader, die er net als wij herinneringen aan hebben, je nog meer vertellen dan je in dit hoofdstuk kunt lezen. En misschien ook zwijgen moeder en vader, want praten over verdriet is niet gemakkelijk. Op de vierde mei, 's avonds om acht uur, zwijgt heel Nederland. Dan denken wij aan onze vrienden en vriendinnen, die onze vrijheid met hun leven betaalden. Aan onze mannen en vrouwen, die niet uit gevangenschap terugkeerden. Aan onze Joodse Nederlanders, die zo deerlijk hebben geleden. Jullie waren er niet bij, maar vergeet nooit dit ene. Jullie zijn vrij dank zij die duizenden en duizenden helden uit het verzet en soldaten van alle rangen, die sneuvelden omdat zij alleen maar in vrijheid konden leven. |
|
De huizen stonden er schouder aan schouder. In de Leuve- en de Wijnhaven lagen de binnenschepen op lading te wachten en op de Maas stoomden grote en kleine schepen statig voorbij. Bijna met de voeten in het water, zó dicht stonden de huizen langs de wallekant. Dag en nacht voeren de schepen langs onze deuren en ramen. Wij luisterden naar de zware stoomfluiten en wuifden vanuit huis naar de matrozen. Wij speelden bij het Calandmonument en keken vol bewondering naar de gloednieuwe Bijenkorf. 's Avonds pinkelde de grote lamp op de hoge toren. Daar mochten wij altijd even naar kijken voor wij naar bed gingen. En als het regende, speelden wij in de Passage: een overdekte winkelgalerij met de heerlijkste speelgoedwinkels, die je maar kunt bedenken.
|
|
Wat waren we trots op het Witte Huis! Het stond er zo stoer daar vlakbij de vierleeuwenbrug, die over de Oude Haven leidde. Eenmaal mochten wij op de bovenste verdieping van het Witte Huis klimmen. Toen wij uit het dakraam keken, zagen we daar, aan onze voeten, Rotterdam liggen. Een zee van huizen, havens met piepkleine boten. Over het viaduct denderde een trein de stad binnen en de vierleeuwenbrug draaide open, om de binnenschepen toegang te geven tot de Oude Haven. Zelfs bovenop de zolder van het Witte Huis róken wij de stad: wij róken het water van de Maas, de rook van de binnenschepen en wij hoorden diep beneden ons het rumoer van het verkeer. Het was een prachtig, weids gezicht.
|
|
Toen kwamen ze: in de vroege morgen van de tiende mei doken de eerste Stuka's als nijdige horzels op de slapende stad.... en wij begrepen het niet. |
|
Witte wolkjes kwamen uit de overvliegende Duitse toestellen. En ieder wit wolkje betekende één parachutist. Daar kwamen ze! Zij landden op de weilanden rondom Rotterdam. Zij landden langs de Plaszoom bij het Kralingse Bos en langs de Maas. Bij honderden vielen de vijanden uit de lucht, om de Nederlandse soldaten in de rug te kunnen aanvallen. Als witte bloemen lagen hun parachutes in het gras. En de Rotterdammers, die sinds honderdvijftig jaar geen oorlog hadden meegemaakt, gingen kijken hoe de vijand kwam.
|
|
En zij begrepen niet, wat hun te wachten stond. Met rubberbootjes trachtten de Duitsers de Maas over te steken. Hoe dan ook, zij wilden het hart van de stad bereiken. Maar de Maasbruggen werden door de Mariniers verdedigd en zij weken geen meter. De Duitsers kropen op de daken van de huizen langs het Haringvliet. Zij waren overal: en toen al brandde de stad....
|
|
Terwijl de Duitse troepen als mieren over vernielde bruggen ons land binnenstroomden en overal hevig werd gevochten, vlogen de Rotterdammers de straat op. "Wat is er gebeurd?" vroegen wij elkaar, "waarom wordt er geschoten en wat betekenen al die vliegtuigen in de lucht?" En wij kropen bij de radio, en luisterden gespannen. Er kwamen verwarde berichten door. Berichten over vliegtuigen, die onze grenzen waren overgevlogen. Over Duitse soldaten, verkleed als postbodes en tramconducteurs. Berichten over hevige gevechten bij de Peellinie, de Moerdijk, de Maasbruggen, de Waalhaven, vliegveld Valkenburg ...waar niet ? Angstig luisterden wij naar de hevige ontploffingen en het nijdige gezoem van de vliegtuigen. En intussen werden overal aanplakbiljetten opgehangen. Nederland was in oorlog met Duitsland. Als een dief in de nacht had men een vredig land overvallen. Wij zouden spoedig weten, wat dit had te betekenen.
|
|
Op de 14e mei, na ruim vier dagen hevige strijd, bombardeerden Duitse vliegtuigen Rotterdam. De vliegtuigen kwamen laag over; boven de stad openden zij hun bomluiken. Met donderend geweld stortten de huizen, kerken, fabrieken en kantoren ineen. De stad brandde als een fakkel en er was geen water, om de brand te blussen. Duizenden Rotterdammers vluchtten naar het veilige Hillegersberg, naar Kralingen of Terbregge. De stad uit! Weg van de brandende, instortende huizen, het puin, de duizenden glasscherven en de gruwelijke hitte. |
|
Met tranen in de ogen en gebalde vuisten keken wij naar de brandende, rokende stad. Regens van vonken spoten op; de vlammen rolden van dak naar dak. Hoog wervelde brandend papier door de lucht; dagen later kwamen geschroeide bladen bij Gouda en Den Haag neer. Duizenden Rotterdammers waren dakloos en toen kón Rotterdam niet meer vechten! Wij hadden ons dapper verdedigd, maar wij waren bezweken voor de overmacht.
|
|
Dagen later keerden de eerste gevluchte Rotterdammers naar de stad terug. Struikelend over gloeiend, rokend puin, hun voeten verwondend aan scherven glas trachtten zij de plek te vinden, waar eens hun huis had gestaan. Maar velen wisten de weg niet meer.... De oude Delftse Poort, eens één van Rotterdams mooie poorten, was voorgoed vernield. Een uitgebrande, omver gesmeten autobus leunde er tegenaan. Alles wat ons vertrouwd en lief was, was onherstelbaar vernield. Daar waar ons huis had gestaan, vonden wij een gat in de grond, gevuld met zwartgeblakerd puin en verkoolde balken. Het hart van Rotterdam was verbrand, totaal verwoest. En hier en daar staken boosaardig de blindgangers tussen de stenen: niet ontplofte bommen, die ieder ogenblik dood en verderf konden zaaien. Boven de stad hing een vieze, benauwde walm: de reuk van smeulend hout, gloeiende steen, verbrand papier, gesmolten metaal, verpulverd en vergloeid glas. En wij dwaalden en dwaalden en kenden onze stad niet meer. Niemand konden wij de weg vragen, want niemand wist waar hij was.
|
|
Doelloos zwierven wij over de puinhopen, achtervolgd door de stinkende walm. Zover ons oog reikte was alles vernield. Als bakens in een zee van puin stonden de muren van het station Blaak overeind. Wij keken naar de lege, zwartverbrande venstergaten. Wat was overgebleven van de Grote Markt, de Hoogstraat en de Kolk? Puin, verkoold hout, uitgebrand ijzer. Na uren dwalen bereikten wij de oude Sint Laurens. Geblakerd stond de toren, eenzaam temidden van een zee van puin. Langs de nog warme muren hingen als grote tranen de droppels gesmolten glas en lood. Het was, alsof de oude kerk had geschreid om de zinloze verwoesting, om het verdriet dat onze stad was aangedaan. Hol en uitgebrand stond daar in de verte station Hofplein, van restaurant Loos restte nog slechts een geblakerde puinhoop. Nog dagenlang gloeiden de muren; zij waren zo heet, dat wij onze hand er niet tegenaan konden houden.
|
Van het interieur van de Grote of St. Laurenskerk bleef niets meer over alleen de muren!
|
|
Toen kwamen de vluchtelingen, van heinde en verre. Op een kar hadden zij het beetje huisraad geladen, dat zij hadden meegenomen. Zij zwierven door de stad en zochten wanhopig naar de plaats, waar hun huis had gestaan. En als zij de restanten hadden gevonden, daalden zij in het diepe gat af om te zoeken, of er nog iets was overgebleven. Soms een paar pannetjes, of een oude stoel, of een stukje speelgoed. Zij groeven in het puin en vonden niets.
|
|
Het puin moest worden geruimd. Zo snel mogelijk moesten straten, pleinen, lanen en wegen weer begaanbaar worden. Ploegen puinruimers trokken de stad in, met schop en houweel. Zij bikten de stenen. Dagenlang, nee weken aan één stuk hoorden wij het getik van bikijzers op steen. De puinruimers zelf maakten er grapjes over. Zij noemden hun houten keten "Villa Puinzicht" of "Villa Bikgraag" - maar dat nam de ernst van de toestand niet weg.
Zeeën puin, miljoenen stenen moesten worden gebikt. Tienduizenden stenen waren zo erg verbrand, dat zij nergens anders bruikbaar voor waren dan voor het dempen van Schie en Noorderhaven. Maar er bleven ook bruikbare stenen over. Daarvan hebben wij de schouwburg aan de Aert van Nesstraat gebouwd. Rotterdam werd "Steenbergen aan de Maas" genoemd: een wel heel bitter grapje.
|
Rotterdam toen en nu |