1e Algemene Vakschool - Putseplein - Rotterdam........ 1930/1980
HOE HET BEGON.....

In feite kan de kinderkamer nog niet mee-jubileren, want zij werd pas op 15 april 1932 in gebruik genomen, toen de eerste 12 kleuters van 4 jaar parmantig naar binnen stapten.

In september kwamen de eerste peuters erbij en het aantal kinderen groeide gestaag tot de kinderkamer 25 jongens en meisjes van 2 tot 4 jaar telde, merendeels broertjes en zusjes van de leerlingen.

Het nam wel even tijd voordat alle kinderen zich in de kinderkamer volkomen thuis voelden. Vooral de kleintjes van 2 jaar hadden 't erg te kwaad. Wekte hun voortdurende gehuil een lichte ergernis op bij de oudere jongens, bij het oudste meisje ontplooide zich een haast moederlijke bezorgdheid. Zij droogde geduldig de tranen op de kleine gezichtjes, nam de peuters om de beurt op schoot en vroeg fluisterend: "Zoue ze pijn in d'r buikje hebbe?" Maar kort daarop herbergde de kinderkamer een opgewekt, druk, levendig en beweeglijk volkje dat de speelkamer helemaal in beslag nam.

Het doel van de kinderkamer was duidelijk: de leerlingen van de opleiding "Hulp in de huishouding" de gelegenheid geven praktisch te leren omgaan met kinderen van 2 tot 6 jaar. Hierop aansluitend zouden lessen in handenarbeid en baby- en kleuterverzorging gegeven worden.

Daarnaast kon de kinderkamer nog aan een ander, meer sociaal doel beantwoorden. Maar al te vaak werden leerlingen als zij niet meer leerplichtig waren, tussentijds en om verschillende redenen door de ouders van school genomen om thuis voor de jongere zusjes en broertjes te zorgen. Waren deze kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar of iets ouder en werden zij in de kinderkamer geplaatst, dan konden de leerlingen de gekozen opleiding afmaken en toch het diploma halen.

Zo heeft de kinderkamer vele keren met het opnemen van de kinderen uit deze gezinnen de leerlingen kunnen helpen.

Elke maandagmorgen kwamen twee leerlingen uit de 5de klas (er waren toen nog halfjaarlijkse klassen) die de opleiding "Hulp in de huishouding" gekozen hadden, om een week in de kinderkamer te werken. Zij leerden al het nodige en werden al gauw een vertrouwd beeld in de kindermaker en ook in de ogen van de kleuters die telkens hun hulp inriepen.

Onder de bedrijven door werd veel gezongen, er werden versjes opgezegd en kringspelletjes gedaan en er moest wel eens een kindje verschoond, een broekje gewassen en een traantje gedroogd worden, kortom voor de leerlingen was alles "kind" wat de klok sloeg.

Later kwam elke week een meisje uit de 8ste klas nog een paar dagen in de kinderkamer helpen.

Vergeleken met de praktijkweek in de 5de klas was er een duidelijk merkbare vooruitgang. Zij was wat ouder en zelfstandiger geworden, zij kende het werk en de dagindeling en - laten we hopen - ook de theorielessen gaven haar wat meer inzicht en begrip, zodat zij zich tegenover de twee jongere leerlingen een "oude rot "in het vak voelde.

Dagelijks waren de eerste tijd dus twee, later drie leerlingen aanwezig met een assistente die de lerares verving als deze afwezig was.

Voor een assistente werd meestal een al wat oudere oud-leerlinge uitgekozen. Dit lukte altijd voortreffelijk.

Over de leerlingen die in de kinderkamer kwamen werken, is niets dan goeds te vertellen maar wat is er nu ook natuurlijker en aantrekkelijker dan de omgang met peuters en kleuters?

In al die jaren heb ik één keer een onvoldoende moeten geven. Dit meisje hield niet van kinderen, zoals zij mij eerlijk bekende.

Er zou nog zoveel meer te vertellen zijn over de kinderen zelf, over hun groei en ontwikkeling gedurende deze voor elk kind zo belangrijke jaren die zij voor een groot deel in de kinderkamer doorbrachten maar daarvoor ontbreekt hier de plaatsruimte.

Wel kan gezegd worden dat de kinderkamer een lévend onderdeel van de vakschool is geworden.

Mag ik met iets persoonlijks eindigen?

Zelf heb ik de beste herinneringen aan de 16 jaren, waarin ik de kinderkamer heb mogen leiden.

Mijn collega's plaagden me soms door te zeggen:

"Je kunt aan jou wel merken dat je altijd met kleine kinderen omgaat!" Reden temeer voor mij om in 1948 te vertrekken en mij serieus met de voorlichting aan volwassenen te gaan bezighouden.

H.J. Sparnaay

Rotterdam toen en nu